1. Wat zijn voornaamwoorden?
Voornaamwoorden zijn woorden die zelfstandige naamwoorden vervangen om herhaling te voorkomen. In het Nederlands veranderen voornaamwoorden van vorm afhankelijk van hun functie in de zin (onderwerp, voorwerp) en de persoon waarnaar ze verwijzen.
2. Onderwerp- en voorwerpsvoornaamwoorden
Onderwerpsvoornaamwoorden worden gebruikt als onderwerp van een zin (wie de actie doet). Voorwerpsvoornaamwoorden worden gebruikt als voorwerp (wie de actie ontvangt).
| Persoon | Onderwerp | Voorwerp |
|---|---|---|
| 1e enkelvoud (ik) | ik |
mij / me |
| 2e enkelvoud informeel (jij) | jij / je |
jou / je |
| 2e enkelvoud formeel (u) | u |
u |
| 3e enkelvoud mannelijk (hij) | hij |
hem |
| 3e enkelvoud vrouwelijk (zij) | zij / ze |
haar |
| 3e enkelvoud onzijdig (het) | het |
het |
| 1e meervoud (wij) | wij / we |
ons |
| 2e meervoud (jullie) | jullie |
jullie |
| 3e meervoud (zij) | zij / ze |
hen / ze |
Onderwerp: Ik zie de hond.
Voorwerp: De hond ziet mij.
Onderwerp: Zij werkt hier.
Voorwerp: Ik help haar.
Onderwerp: Wij gaan naar huis.
Voorwerp: Hij kent ons.
me en je zijn onbeklemtoonde vormen, vaak gebruikt in gesproken Nederlands. mij en jou zijn beklemtoonde vormen, gebruikt voor nadruk of na voorzetsels.hen vs ze: Gebruik hen voor mensen, ze voor dingen of wanneer onbeklemtoond.
3. Bezittelijke voornaamwoorden
Bezittelijke voornaamwoorden tonen bezit. Ze komen overeen met het zelfstandig naamwoord dat ze wijzigen (de-woorden vs het-woorden).
| Persoon | Voor de-woorden | Voor het-woorden |
|---|---|---|
| 1e enkelvoud (mijn) | mijn |
mijn |
| 2e enkelvoud informeel (jouw) | jouw / je |
jouw / je |
| 2e enkelvoud formeel (uw) | uw |
uw |
| 3e enkelvoud mannelijk (zijn) | zijn |
zijn |
| 3e enkelvoud vrouwelijk (haar) | haar |
haar |
| 1e meervoud (ons/onze) | onze |
ons |
| 2e meervoud (jullie) | jullie |
jullie |
| 3e meervoud (hun) | hun |
hun |
mijn boek
mijn tafel
onze kinderen
ons huis
haar fiets
hun auto
ons (voor het-woorden) vs onze (voor de-woorden en meervouden) is het enige bezittelijke voornaamwoord dat van vorm verandert. Alle anderen blijven hetzelfde ongeacht het geslacht van het zelfstandig naamwoord.
4. Aanwijzende voornaamwoorden
Aanwijzende voornaamwoorden wijzen naar specifieke dingen. Ze komen overeen met het geslacht van het zelfstandig naamwoord waarnaar ze verwijzen.
4.1 "Deze" en "die" (voor de-woorden)
- deze = deze/dit (dichtbij)
- die = die/dat (ver weg)
die stoel (that chair)
deze boeken (these books)
4.2 "Dit" en "dat" (voor het-woorden)
- dit = dit (dichtbij)
- dat = dat (ver weg)
dat boek (that book)
dit raam (this window)
deze/die voor de-woorden en meervouden, dit/dat voor het-woorden. Dit komt overeen met het patroon van de vs het lidwoorden!
5. Het voornaamwoord "er"
er is een zeer veelvoorkomend woord in het Nederlands met meerdere gebruiksmogelijkheden. Hier zijn de belangrijkste patronen:
5.1 "Er is" en "er zijn" (er is/zijn)
Er zijn veel mensen hier.
Er is geen melk meer.
5.2 "Er" met plaatswerkwoorden (er staat/ligt/hangt)
Veelvoorkomende plaatswerkwoorden: staan, liggen, hangen, zitten.
Er ligt een boek op de tafel.
Er hangt een schilderij aan de muur.
Er zitten mensen in de bus.
5.3 "Er" als vervanging voor voorwerpen
er kan voorzetselvoorwerpen vervangen (voorwerpen met voorzetsels zoals "van", "op", "in").
Hij praat over de film. → Hij praat erover.
Wij wachten op de bus. → Wij wachten erop.
6. Wederkerende voornaamwoorden
Wederkerende voornaamwoorden worden gebruikt wanneer het onderwerp en voorwerp van een werkwoord dezelfde persoon zijn. In het Engels zijn dit woorden zoals "myself", "yourself", "himself".
| Persoon | Wederkerend voornaamwoord |
|---|---|
| 1e enkelvoud (mezelf) | me / mij |
| 2e enkelvoud informeel (jezelf) | je / jou |
| 2e enkelvoud formeel (uzelf) | u |
| 3e enkelvoud (zichzelf) | zich |
| 1e meervoud (onszelf) | ons |
| 2e meervoud (jullie zelf) | je / jullie |
| 3e meervoud (zichzelf) | zich |
Ik was me.
Jij scheert je.
Hij verveelt zich.
Wij vergissen ons.
Zij gedragen zich goed.
zich wassen, zich aankleden, zich herinneren, zich vergissen, zich gedragen, zich vervelen.
7. Snelle samenvatting
- Onderwerp/Voorwerp: ik/mij, jij/jou, hij/hem, zij/haar, wij/ons, jullie/jullie, zij/hen
- Bezittelijk: mijn, jouw/je, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun
- Aanwijzend: deze/die (de-woorden), dit/dat (het-woorden)
- "Er": er is/zijn, er + plaatswerkwoorden, er + voorzetsels
- Wederkerend: me/je/zich/ons afhankelijk van persoon